Poeziecentrum

Wij werken momenteel haastig aan de mobiele versie van onze vernieuwde website!
U kan de oude website nog raadplegen voor verdere informatie,
of u kan hem bekijken op uw desktop.

Poeziecentrum

schenking-combi-cailliau.jpg

Philippe Cailliau

Philippe Cailliau schenkt gedicht op hout uit 1979 aan Poëziecentrum

In 1979 vatte de dichter Philippe Cailliau het plan op om een van zijn gedichten, 'Lied van lief en lafenis', in hout te beitelen. De realisatie van die onderneming heeft hem heel wat tijd en inspanning gekost. Het fraaie werk hing tot  nu toe bij de dichter thuis aan de muur, maar onlangs schonk hij het aan Poëziecentrum uit erkentelijkheid. We hielden een kort vraaggesprek met Philippe Cailliau over zijn werk en meer bepaald ook over het ontstaan van de houten sculptuur.

1/ Echte poëzieliefhebbers kennen je al jaren als dichter en redacteur/medewerker aan verschillende literaire tijdschriften, maar voor een breder publiek is het toch interessant om je nog kort even voor te stellen.

Ik ben geboren in 1954 te Elisabethstad, Belgisch-Kongo. Ik bracht mijn jeugdjaren door in Afrika en woonde nadien, tot mijn zeventiende, in het voormalige West-Duitsland. In 1972 ging ik aan de Vrije Universiteit Brussel Nederlandse Letterkunde en literatuurwetenschap studeren. Tot mijn pensioen was ik leraar Nederlands en Massamedia. Ik gaf les aan diverse Vlaamse scholen en woonde al die jaren in enkele randgemeenten van Brussel en nadien in het Vlaams-Brabantse Sint-Genesius-Rode.

Overdreven veel publiceerde ik niet, maar er verschenen tot op heden, met betekenisvolle onderbrekingen,  toch tien dichtbundels (waarvan de eerste hermetisch en neo-experimenteel van aard zijn). Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw schreef ik talloze recensies en essays over (voornamelijk) Nederlandstalig proza. Jarenlang was ik een vaste medewerker aan het literair- en kunstkritisch tijdschrift Kreatief. Losse gedichten verschenen ondertussen in diverse literaire bladen en bloemlezingen.

In 2013, enkele jaren na mijn vroegtijdig en gedwongen pensioen, verhuisde ik wegens medische redenen naar Oostende, waar ik nog steeds met veel plezier woon. Sedert 2012 is mijn poëtische productie weer toegenomen. In 2013 verscheen Het boek nul (een poëtisch opnieuw ontwaken - eerder een niet tegen te houden doorstart), een jaar later Niets verloren en in 2016 Tot de stenen wortel schieten.

2/ In 1975 debuteerde je met de bundel De moordenaar en zijn vroedvrouw. In de jaren die volgden publiceerde je nog 4 dichtbundels, maar vanaf 1982 volgde er een lange dichterlijke stilte, die je pas zou doorbreken met Randstad living – Impressies van een slaapstad (1997). Wat was de oorzaak van dat lange zwijgen? Schreef je in die periode nog?

Tussen 1982 en 1997 publiceerde ik inderdaad geen enkele dichtbundel. Maar ik zat wel niet stil. Er verschenen af en toe losse gedichten in literaire tijdschriften, ik gaf les (Nederlands doceren aan de hoogste jaren van een technische school is behoorlijk zwaar), ik publiceerde tientallen teksten over nog meer Nederlandstalige romans, ik werkte niet alleen mee aan Kreatief maar ook aan ander literaire bladen, schreef daarnaast een tweetal schoolboekjes cursorisch lezen (Hugo Claus)  en twee lemma’s (over Dirk De Witte en Dirk van Babylon) in het Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur. De dichtbundel Randstad living – Impressie van een slaapstad uit 1997 was een tussendoortje dat ik schreef in opdracht van het culturele centrum van Ganshoren. Ik wist toen niet hoe het verder moest met mijn poëzie.

Ik was gehuwd, maar toen mijn dochter bijna zes jaar jong was, raakte ik verwikkeld in een onbeschrijflijke vechtscheiding die ongeveer tien jaar duurde en die ik niemand kan aanbevelen. De rest is privé. Ik kan alleen maar vertellen dat het enorm moeilijke jaren waren.  Het is dus niet vreemd dat er weer tien onproductieve jaren voorbijgingen voordat ik in 2007, dankzij de aanmoedigingen van mijn goede vriend Bert Bevers, tot de beslissing kon komen om weer een bundel te publiceren: Zwijgboek. Ik was in 2005 meermaals zwaar ziek geworden en wilde met Zwijgboek (de titel zegt wat hij suggereert) mijn bescheiden oeuvre afsluiten. Een poëtisch afscheid. Maar een afscheid dat, zoals achteraf zou blijken, niet definitief was. Door mijn ziekten (meervoud) moest ik in 2006 met pensioen.

Ik ben toen negen lange jaren bezig geweest met herstellen. Twee stappen vooruit, twee stappen achteruit. Maar toen kroop ik moeizaam, maar eindelijk, uit de put en was ik, rekening houdend met mijn fysieke en mentale toestand, klaar voor een tweede poëtische ontwikkeling, die ik begon met Het boek nul (2013), een bundel die de neerslag is van voortdurend omgaan met pijn en van de wil om je niet gewonnen te geven. Tussen 2006 en 2013 – magere jaren vol zwarte gaten - belandde ik meer dan twintig keer in het ziekenhuis.

3/ Je schenkt aan Poëziecentrum een prachtige houten sculptuur die je zelf maakte in 1979. Kan je daar iets meer over vertellen? Waarom heb je dit werk gemaakt? Is dit een eenmalige plastische onderneming of heb je nog beeldend werk gemaakt?

Ik ben altijd al gefascineerd geweest door lettertekens en woorden die in hout uitgehakt zijn. Een gedicht in hout gebeiteld is het resultaat van fysieke arbeid gebaseerd op een poëtische creatie. Ik wilde zo’n “gedicht op hout” wel eens maken, maar het wordingsproces had ik wel onderschat … . In 1979 was mijn werkmethode nogal primitief, ik deed alles met de hand. In het dagelijkse leven bestonden computers die je kunnen helpen bij het ontwerpen van een model, nog niet. Ik koos een stuk hout en een geschikt lettertype, en tekende dan elke letter op het hout. Berekende spaties, correcte grootte en verhoudingen, het was een studie van de twee- en zelfs driedimensionale ruimte van de plank, want je kunt het je niet veroorloven een versregel te “tekenen” waarvan de laatste letter niet meer op de regel past. Ik vertel niets nieuws: je gedicht mag niet te lang of te breed zijn. En dan kwam het beitelen. Kappen in de richting van de houtvezel is nauwelijks een probleem, maar als je haaks op de vezelrichting beitelt, loop je het gevaar het hout te beschadigen en dan is alle moeite voor niets geweest. Je mag ook niet te diep houwen. Het reliëf moet gelijkmatig zijn.  Je moet dus gefocust blijven, want elke fout vertaalt zich in weggooien en alles herbeginnen. Ik was 25 in 1979 en had geen enkele ervaring. Ik heb toen bloed en tranen gezweet, want ik zat elke dag een paar uur op mijn knieën (op de vloer) om letters te tekenen en uit te hakken. Dagen nadien had ik nog steeds pijnlijke knieën.

Waarom ik het gedicht Lied van lief en lafenis op hout gemaakt heb? Ik wilde weten hoe het voelde fysieke arbeid te verrichten om zo’n sculptuur te maken. Maar ik was nadien wel geleerd: zo’n arbeid zou ik voortaan aan professionele houtbewerkers en -kappers overlaten. Het is natuurlijk duidelijk dat Lied van Lief en lafenis gebeiteld is door een amateur. Maar ik ben wel trots op dit werk.

In die jaren volgde ik met grote aandacht de ontwikkelingen in de visuele en concrete poëzie. Ik maakte zelf ook wel enkele concrete / visuele gedichten. Ik had in de jaren zeventig wijlen Paul de Vree leren kennen (en enkele andere eerbiedwaardige vertegenwoordigers van het genre) en hij publiceerde tussen 1975 en 1979 een paar visuele gedichten van mij in zijn legendarische tijdschrift De Tafelronde.

Daarnaast maakte ik occasioneel ook wel een plastisch werkje, zoals een micaplaat waarop ik met silicone een begrip als “agressivitatortur” spoot, of ik kleefde een hele oppervlakte vol met vermicellisoeplettertjes die na kleuring op een kraterlandschap  uit WOI geleken. Zo ontstond in 1982 mijn De nachtmerrie van de schrijver.

Ik werkte eveneens met een elektrische schrijfmachine en componeerde met het alfabet hele (woord)beelden op A4. Afbeeldingen van enkele beeldende werken vind je op de fotopagina van mijn website  . Toen ik later het prachtige visuele en concrete werk van een dichter en plastisch kunstenaar als Renaat Ramon zag, was ik maar al te blij dat ik na de beginjaren tachtig gestopt was met mijn visuele poëziepogingen. Geef de keizer wat des keizers is. 

Ik schenk de sculptuur Lied van lief en lafenis uit 1979 aan het Poëziecentrum uit waardering voor alles wat het momenteel voor onze poëzie doet (en dat is bepaald niet weinig!) – én opdat ik me na mijn dood niet in mijn graf zou moeten omdraaien omdat mijn erfgenamen het gebeitelde Lied van lief en lafenis reduceren tot een fijne plank “hout” die na enkele bijlslagen ideaal aanmaakhout wordt voor de open haard of de houtkachel op een gezellige winterse avond.

4/ Tot slot: je recentste dichtbundel Tot de stenen wortel schieten dateert van 2016. Mogen we binnenkort nog nieuw werk van je verwachten?

Inderdaad. Ik werk momenteel aan een nieuwe bundel. (Ik ben daarnaast een keuze uit mijn verzamelde gedichten aan het samenstellen.) De nieuwe bundel heeft “water” als een van de grondthema’s (water is het symbool van het leven en ik woon niet voor niets in Oostende, de stad aan zee). De werktitel is Omtrek van water. Enkele gedichten uit deze bundel zullen in een van de komende nummers van Poëziekrant verschijnen. Ik hoop dat de bundel het licht zal zien in 2019. Misschien zal de bundel dan een andere titel hebben – er is nog niets beslist. 2019 is drie jaar na de publicatiedatum van Tot de stenen wortel schieten, maar er is in die periode weer eens veel gebeurd dat mijn creativiteit heeft gedwarsboomd.

Voor meer info verwijs ik graag naar mijn website: http://www.philippecailliau.com/